Bewaren heeft de
toekomst
COREON sessie op WEON 2007
De wetstekst van twaalf jaar geleden om medische dossiers
slechts tien jaar te bewaren, ligt hevig onder vuur van epidemiologen en vele
andere specialisten. Intussen zijn ziekenhuizen al bezig met de vernietiging of
scanning van oude dossiers. Reden voor de COREON om op 21 juni tijdens het
Nederlandse Epidemiologiecongres (WEON) in Maastricht hierover een sessie te
organiseren.
Prof. Floor van Leeuwen (epidemioloog, NKI-AVL,
Amsterdam) gaf een historisch overzicht van de problematiek. In de WGBO werd per
1 april 1995 vastgelegd dat medische dossiers slechts tien jaar bewaard mochten
worden, tenzij er steekhoudende medische redenen bestonden om dit niet te doen.
Hiermee hanteerde Nederland een maximale bewaartermijn, uniek voor Europa, waar
verder minimale bewaartermijnen gelden. Na een rapport van de Gezondheidsraad
uit 2004 werd de vernietigingsverplichting - die 1 april 2005 zou ingaan - vlak
ervoor voorlopig ongedaan gemaakt door de bewaartijd te verlengen van 10 naar 15
jaar. De Gezondheidsraad droeg de volgende argumenten aan voor een langere
bewaarduur:
1) het collectieve belang van het gezondheidszorgonderzoek naar
risicofactoren en prognose. Neveneffecten van een behandeling treden soms pas na
lange tijd op.
2) patiëntenzorg: bij gerelateerde klachten is informatie van
de oorspronkelijke behandeling van groot belang;
3) klinische genetica:
belang voor familieleden;
4) volwassenen die als kind voor een ernstige
ziekte zijn behandeld, kunnen alsnog informatie willen. Zij zijn namelijk niet
altijd goed door hun ouders geïnformeerd;
5) juridisch belang.
Op de
hoorzitting van patiëntenorganisaties in 2003 bleek grote steun voor een langere
bewaartermijn. Blijkbaar vonden de patiënten zelf het belang van goede zorg
en onderzoek ver prevaleren boven de privacy. Alleen de psychiatrische
patiëntenvereniging had bedenkingen, maar de aangedragen voorbeelden van
gegevensverstrekking waren al in strijd met de wet, ook als ze binnen tien jaar
plaatsvonden.
Op 1 april 2010 loopt de overgangsperiode af, dus er is
dringend behoefte aan een wetswijziging, waarover een interdepartementale
commissie zich buigt.
Vernietiging in
gang
Mw. Anke Willemse (onderzoeksassistent IKZ) gaf een
overzicht van wat er ondertussen met de archieven gebeurt. Het vernietigen van
dossiers blijkt in volle gang: 80 procent doet dit 15 jaar na het laatste
contact. Het te vernietigen dossier wordt vaak eerst op microfilm gezet of
middels scannen gedigitaliseerd. Daarbij wint het scannen duidelijk terrein. Het
raadplegen van microfilms en scans blijkt in de praktijk veel tijdrovender dan
van het papieren dossier. Bovendien is de informatie minder goed leesbaar en
slechter (of helemaal niet meer) terug te vinden.
Prof. Marinus
Niermeijer (Klinische Genetica, Radboudziekenhuis, Nijmegen) onderstreepte het
belang van een lange bewaartermijn voor de klinische genetici. Zij geven
informatie over het ziekterisico op basis van de familiegeschiedenis. Om de
gerapporteerde ziekten in de familie op waarde te kunnen schatten zijn de
dossiers van de betreffende familieleden, vaak vooral in voorgaande generaties,
essentieel.
Naast de dossiers geldt dit ook voor de archieven van
pathologische coupes; de ‘slapende schatten in de kast van de patholoog’ zijn
voor de nakomelingen van de betrokkene van onschatbare waarde. Al dit speurwerk
wordt opgeslagen in een familiedossier, dat in tegenstelling tot de overige
medische dossiers dus niet slechts op één individu betrekking heeft. Kortom,
voor het dagelijks werk van een klinisch geneticus zijn lange bewaartermijnen
van medische dossiers essentieel. Voor opgebouwde familiedossiers zouden dus
extra lange bewaartermijnen moeten gelden.
Valkuilen van
digitalisering
Prof. Johan van der Lei (medisch informaticus,
Erasmus MC, Rotterdam) benadrukte dat bij het scannen van dossiers uitgegaan
moet worden van de (latere) gebruiker. Labelen van ‘hoofdstukken’ van het
dossier en een expliciete kwaliteitscontrole zijn dus van groot belang. Tegelijk
gaf hij aan dat veel informatie, zoals mammogrammen, MRI’s etc. al lang geen
papieren informatie meer is.
Digitaliseren lijkt dus onontkoombaar, maar
deze informatie is niet per definitie veiliger in de toekomst dan die op papier.
Zo wordt software continu vernieuwd en kan nieuwe apparatuur het runnen van
verouderde software onmogelijk maken. Zelfs bij upgrading van het
gedigitaliseerde dossier moet dit ook gelden voor al de aanhangende informatie,
zoals mammogrammen. Omdat een gedigitaliseerd dossier in principe voor alle
geëigende gebruikers toegankelijk is, lijkt de noodzaak om samenvattingen voor
collega’s te maken minder aanwezig. De resulterende overdaad aan informatie kan
het gedigitaliseerde dossier minder bruikbaar maken dan een papieren
dossier.
Dilemma's
In de slotdiscussie,
geleid door prof. J.W.W. Coebergh (epidemioloog, Erasmus MC, Rotterdam), kwamen
een aantal dilemma’s voor het voetlicht.
Zo blijkt het weggooien van oude
papieren dossiers verreweg het goedkoopst. Deze directe financiële impuls blijkt
voor ziekenhuizen vaak niet op te wegen tegen het feit dat vernietigen voor
goede zorg in de toekomst niet verantwoord is. Voor alle bestaande papieren
dossiers bestaat dus grote behoefte aan wettelijke duidelijkheid en een
financiële afweging. Het gaat daarbij om de volgende opties: 1) centrale
archivering met een goede registratie en klimaatbeheersing of 2) scannen met
expliciete kwaliteitscontroles, labeling en upgradings.
Over de gewenste
bewaartermijn lopen de meningen uiteen. Terwijl argumenten voor kortere
bewaartermijnen vooral van praktische aard waren, was er voor een bewaartermijn
van 100 jaar na geboorte een duidelijk wetenschappelijk argument. Voor het
evalueren van neveneffecten van een behandeling zijn de dossiers van overledenen
namelijk net zo essentieel als van degenen die nog leven.
Al met al kwam
uit deze interessante sessie duidelijk naar voren dat er dringend behoefte is
aan een betere regeling van de bewaartermijn en aan instructies voor adequaat en
gericht scannen van oude statussen.
Mw. M.A. Rookus, secretaris COREON
FederaBulletin, juni 2007
